Wongar

Auteurs: Alan R. Moon & Richard Borg
Uitgegeven door Gold Sieber Spiele, 2000
Een ritueel bordspel rond de Aboriginal in Australië (3 tot 5 spelers vanaf 12 jaar).
Vrij vertaald in het Nederlands door Rob & Det (Meppel, Nederland).

Speelmateriaal

Neem bij het lezen van de regels ook het speeloverzicht in de hand.

Het speelbord

Het speelbord laat tien gebieden zien met gewijde plaatsen van de Australische Aboriginals. Ieder gebied heeft een eigen symbool dat voor de speelopbouw van betekenis is.

Langs de buitenrand van het speelbord loopt de waarderingslijst. Hier worden de winstpunten van de spelers aangegeven.

Aan de linkerkant van het speelbord bevindt zich de driedelige schorpioenlijst. Over de velden van de lijst wordt de schorpioen-speelsteen bewogen. Hij geeft de speelfase en een eventueel speeleinde aan. De speelfase bepaalt weer hoeveel winstpunten men kan bereiken.

Speelvoorbereiding

Speelverloop

De spelers pakken één van de opengedraaide kaarten uit de gebieden en voeren de overeenkomende handelingen uit. Zo kunnen de spelers speelstenen inzetten en ritueelkaarten trekken. Je kunt ook het bezit van de figuren voorvader en stamoudste overnemen en een ceremonie met een waardering laten plaatsvinden. De meerderheden in de verschillende speelsteensoorten worden gewaardeerd.

Wie tenslotte de meeste punten haalt, wint.

De spelregels

Wongar kan op twee manieren worden gespeeld. Eerst wordt het basisspel beschreven. Aan het eind van de regels volgen de veranderingen voor het spel voor de gevorderden.

HET BASISSPEL

Voor iedere speelronde

1. Startspeler bepalen en gebiedskaarten opendraaien.

Deze fase vervalt in de eerste ronde, omdat de startspeler al bekend is en alle tien kaarten opengedraaid zijn. In alle andere ronden wordt eerst de startspeler voor de nieuwe ronde bepaald.

De voorvader wisselt vaak in de loop van de ronde van bezitter. Aan het begin van de nieuwe ronde krijgt die speler de boemerang die op dat moment het figuur van de voorvader voor zich heeft staan.

Staan echter aan het eind van een ronde het figuur van de voorvader en de boemerang nog voor dezelfde speler, dan geeft deze de beide figuren door aan zijn linker buurman.

Daardoor kan geen speler twee ronden achter elkaar startspeler zijn.

Daarna draait de nieuwe bezitter van de voorvader in de gebieden waar op de gebiedskaartenstapel geen open kaart ligt, de bovenste kaart open.

Als daarbij een gebiedskaart met een schorpioen wordt opengedraaid, heeft dat uitwerkingen op de bezitter van de voorvader. Deze worden onder het regelpunt "Schorpioen" verklaard.

2. Privilege van de stamoudste vervullen.

De bezitter van de stamoudste trekt aan het begin van iedere speelronde één kaart van de dichte stapel ritueelkaarten en neemt deze in de hand. Als daarbij een ritueelkaart met een schorpioen wordt omgedraaid, heeft dat uitwerkingen op de bezitter van de stamoudste. Deze worden onder het regelpunt "Schorpioen" verklaard.

De speelronde

Tijdens de nu volgende speelronde nemen de spelers om de beurt ieder een gebiedskaart en voeren de genoemde actie uit.

Om de beurt een gebiedskaart nemen

De bezitter van de voorvader mag als eerste een openliggende kaart uit een willekeurig gebied pakken. Hij voert aansluitend de actie uit die door de kaart wordt bepaald.

Vindt er daardoor een ceremonie plaats, dan volgt er aansluitend een waardering. Daarna is kloksgewijs de volgende speler aan de beurt.

De gebruikte gebiedskaart legt de speler dicht voor zich neer op de tafel. In het betreffende gebied wordt in deze ronde geen nieuwe kaart opengedraaid. Hebben alle spelers een kaart gepakt en de overeenkomende actie uitgevoerd, dan eindigt de ronde.

De gebiedskaarten

In iedere stapel met gebiedskaarten zijn er zeven verschillende kaartensoorten:

Symbool voor één speelsteensoort

Wie één van de kaarten met het symbool voor één speelsteensoort kiest, heeft de mogelijkheid om tot drie stenen van de afgebeelde soort in te zetten.

Eerst moet één speelsteen in deze soort in het gebied worden gezet waaruit de kaart werd gepakt. Dan kan de speler kiezen of hij tot twee verdere stenen in deze soort in één of meer willekeurige gebieden wil inzetten, of dat hij liever een overeenkomend aantal ritueelkaarten van de dichte stapel wil trekken.

Ziet de speler ervan af om één of twee stenen in te zetten, dan mag hij voor iedere steen waarvan hij afziet, een ritueelkaart trekken.

Zie ook plaatjes blz. 4

Neemt een speler een kaart van een speelsteensoort waarvan hij er geen meer in zijn voorraad heeft, dan kan hij natuurlijk geen verdere speelstenen inzetten. Hij mag echter desondanks slechts twee ritueelkaarten van de stapel pakken.

Let op: voor de bij het speeleinde voor de spelers liggende gebiedskaarten met de symbolen voor één speelsteensoort krijgen de spelers dan nog winstpunten. En wel acht winstpunten voor iedere kaartenmeerderheid in een speelsteensoort.

Drie symbolen voor iedere speelsteensoort

Wie deze kaart neemt, mag drie speelstenen van één soort naar keuze in willekeurige gebieden van het speelbord zetten. Er hoeft geen speelsteen in het gebied van de kaart te worden gezet. Er mogen geen ritueelkaarten in plaats van het zetten van stenen worden getrokken. Zie plaatje blz. 4.

Bezit de speler minder dan drie speelstenen in de gekozen kleur, moet hij minder speelstenen inzetten.

Voorvader

Wie een kaart met een voorvader kiest, krijgt meteen de (donkere) figuur van de voorvader van de vorige bezitter. Zie plaatje blz. 5.

Dan moet de speler de figuur van de voorvader op het speelbord één gebied verplaatsen. Het nieuwe gebied moet direct aan het vorige gebied grenzen. De voorvader mag niet op zijn oude standplaats blijven staan. In het nieuwe gebied vindt dan meteen een ceremonie plaats, die met een waardering eindigt.

Belangrijk! Het gebied waar de gebiedskaart gepakt werd, is niet het oord van de ceremonie, maar het gebied waar de speelfiguur van de voorvader werd heen gezet. Het verloop van een ceremonie wordt verderop beschreven.

Stamoudste

Wie een kaart met een stamoudste kiest, krijgt meteen de (lichtere) figuur van de stamoudste van de vorige bezitter. Zie plaatje blz. 5.

Dan moet de speler de figuur van de stamoudste op het speelbord één of twee gebieden verplaatsen. De stamoudste mag niet op zijn oude standplaats blijven staan. In het nieuwe gebied vindt dan meteen een ceremonie plaats, die met een waardering eindigt.

Belangrijk! Het gebied waar de gebiedskaart gepakt werd, is niet het oord van de ceremonie, maar het gebied waar de speelfiguur van de stamoudste werd heen gezet. Het verloop van een ceremonie wordt verderop beschreven.

Voorvader en Stamoudste

Wie deze kaart neemt, krijgt meteen de beide figuren van hun vorige bezitters. Zie plaatje blz. 5.

Dan zet de speler zowel de figuur van de voorvader als de figuur van de stamoudste in het gebied waar de kaart gepakt werd. Daarbij speelt het geen rol waar de beide figuren hiervoor stonden. In het gebied met de beide figuren vindt dan een ceremonie plaats, die met een waardering eindigt. Het verloop van een ceremonie wordt verderop beschreven.

Vier ritueelkaarten

Wie deze kaart neemt, trekt meteen vier ritueelkaarten van de dichte stapel en neemt deze in de hand. Zie plaatje blz. 5.

Schorpioen

Deze kaart wordt verderop beschreven.

De schorpioen

Zowel in de stapel ritueelkaarten als in ieder van de tien gebiedskaartenstapels, zijn er telkens twee kaarten met het symbool "schorpioen". Zie plaatjes blz. 5.

Gebiedskaart en ritueelkaart

Krijgt een speler in de loop van het spel een schorpioenkaart, of als gebiedskaart, of als ritueelkaart, dan gebeuren er meteen drie dingen:

  1. De speelsteen van de schorpioen schuift op de schorpioenlijst één plaats naar voren.
    Bereikt hij het laatste veld van een fase, dan schuift hij bij de volgende kaart met een schorpioen naar het eerste veld in de volgende fase van de lijst.
  2. Hij legt de gebiedskaart voor zich neer.
  3. De ritueelkaart wordt naast het speelbord neergelegd. In ieder geval wordt een nieuwe kaart getrokken, respectievelijk opengedraaid.
    Wordt er van de stapel ritueelkaarten de tweede schorpioenkaart getrokken, dan worden de aflegstapel, de trekstapel en de beide schorpioenkaarten opnieuw geschud en weer als dichte stapel naast het bord gelegd.
  4. Er wordt gecontroleerd of de speler die een schorpioenkaart heeft gekregen, op de waarderingslijst als volgt wordt teruggezet. De speler wordt altijd zoveel velden op de waarderingslijst teruggezet, als het aantal spelers dat op de waarderingslijst achter hem staan. Een speler kan zelfs over het startveld terug worden gezet.
    Draait een speler in één ronde meerdere gebiedskaarten met een schorpioen open of krijgt hij de beide ritueelkaarten met een schorpioen, dan wordt er iedere keer bekeken of hij wordt teruggezet.
    In ieder geval wordt iedere schorpioenkaart na elkaar afgehandeld. Staat bijvoorbeeld bij vijf spelers de bezitter van de voorvader op de eerste plaats en draait hij twee schorpioenkaarten open, dan gaat hij voor de eerste schorpioen vier velden terug. Komt hij daarbij achter één of meerdere andere spelers, dan gaat hij voor de volgende schorpioen overeenkomstig minder velden terug.

De ceremonie

Zie plaatjes blz. 6. Neemt een speler een gebiedskaart "voorvader", "stamoudste" of "voorvader en stamoudste" dan vindt in het gebied waarin de betreffende figuren worden gezet, een ceremonie plaats. Wie na zo'n ceremonie de meeste speelstenen in een soort in dat gebied bezit, mag telkens op de waarderingslijst vooruit zetten.

Alleen de spelers die minstens één speelsteen in een soort in het betreffende gebied bezitten, nemen aan de ceremonie deel.

De bezitter van de voorvader opent de ceremonie. Neemt deze speler niet aan de ceremonie deel, dan begint de deelnemende speler die kloksgewijs het dichtst bij zit. De andere deelnemende spelers volgende met klok mee.

Wie aan de beurt is, mag één van zijn ritueelkaarten inzetten en legt de ritueelkaart daarna open naast het speelbord af. Zo ontstaat een open aflegstapel.

Als een speler een kaart met een symbool van een speelsteensoort uitspeelt, kiest hij voor één van de volgende drie mogelijkheden. Zie plaatjes blz. 6.

A) De speler verwijdert één vreemde speelsteen van de soort die op de kaart staat afgebeeld uit het gebied en geeft deze aan de desbetreffende speler terug.

B) De speler verschuift één op de kaart afgebeelde eigen speelsteen uit het gebied waarin de ceremonie plaatsvindt in een direct aangrenzend gebied.

C) De speler verschuift één op de kaart afgebeelde eigen speelsteen uit een direct aangrenzend gebied in het gebied waar de ceremonie plaatsvindt.

Verder is er een kaart met telkens twee symbolen van alle drie speelstenen en een "2" in de hoeken van de kaart. Zie plaatje blz. 6.

Wie deze kaart uitspeelt mag twee speelstenen van één soort naar keuze uit het gebied verwijderen en aan de betreffende speler, respectievelijk beide spelers, terug geven. Bevindt zich nog slechts één speelsteen in de gewenste soort in het gebied, dan kan ook slechts één steen worden verwijderd.

Hij mag in plaats daarvan echter ook twee eigen speelstenen van één soort uit het gebied waarin de ceremonie plaatsvindt, naar één of twee direct grenzende gebieden verschuiven of uit aangrenzende gebieden in het gebied van de ceremonie schuiven.

Zodra een speler geen speelsteen meer in een gebied bezit, mag hij niet verder aan de ceremonie deelnemen.

De spelers mogen om de beurt zolang telkens een ritueelkaart uitspelen totdat geen speler meer een kaart kan uitspelen of wil. Dan eindigt de ceremonie en komt het tot een waardering.

Ziet een speler tijdens een ceremonie ervan af om een kaart te spelen, mag hij tot aan het einde van de ceremonie geen kaarten meer uitspelen.

De waardering

Aan het begin van iedere fase van de schorpioenlijst bevindt zich een klein overzicht, hoeveel winstpunten men voor de meerderheid in een soort speelstenen krijgt. Het aantal winstpunten hangt ervan af of de ceremonie door de gebiedskaart "voorvader", "stamoudste" of "voorvader en stamoudste" werd veroorzaakt.

De speler die de meeste speelstenen van schijfjes, blokjes en staafjes in een gebied bezit, krijgt telkens de aangegeven winstpunten. Ieder van de drie soorten wordt apart gewaardeerd (zie ook schema blz. 7).

Bij een gelijkstand wint de bezitter van de voorvader of de speler die kloksgewijs het dichtst bij de voorvader zit. Op de waarderingslijst wordt telkens de overeenkomende speelsteen het gewonnen aantal winstpunten vooruit gezet.

Zijn er in een gebied waarin de ceremonie plaatsvindt van een soort geen speelstenen, dan worden natuurlijk voor deze soort ook geen punten gegeven.

Neemt een speler een kaart "voorvader" of een kaart "stamoudste" en zet dan de betreffende speelsteen toevalligerwijs in het gebied waarin al een ander figuur staat, dan gaat de waardering volgens de figuur die bewogen werd. Er ontstaat daardoor geen waardering "voorvader en stamoudste".

Speeleinde en slotwaardering

Het spel eindigt als de schorpioen het laatste veld bereikt, of als de laatste kaart uit een gebied wordt gepakt. De lopende ronde wordt nog tot het einde uitgespeeld.

Iedere speler draait nu de voor hem verzamelde gebiedskaarten open. Wie de meeste kaarten met het symbool voor een speelsteensoort (schijfjes, blokjes, staafjes) bezit, krijgt een bonus van 8 punten. Iedere soort wordt apart gewaardeerd. Bij een gelijkstand krijgen al deze spelers 8 punten.

De punten worden op de waarderingslijst vooruit gezet. De speler met de meeste punten wint.

Je kunt het spel nu beginnen en bij vragen over het spelverloop de korte spelregels op de achterkant van het speeloverzicht raadplegen.

Bovendien kan je voor een makkelijker instap het speelvoorbeeld aan het einde van de spelregels raadplegen.

HET SPEL VOOR GEVORDERDEN

Voor spelers met een voorliefde voor evenwichtige spellen met geluk en tactiek is het basisspel precies het goede.

Het spel voor gevorderden borduurt voort op de regels van het basisspel en biedt daarbij meer tactische en strategische mogelijkheden dan het basisspel.

Hierna worden alleen de veranderingen op het basisspel uitgelegd.

Het is aanbevelenswaardig om Wongar eerst een paar keer volgens de basisregels te spelen.

Speelvoorbereiding

Speelverloop

1. Opendraaien van gebiedskaarten

Draait de voorvader één of meer schorpioenkaarten open, dan gaat de speelsteen van de schorpioen op de schorpioenlijst net zoveel velden vooruit. De kaarten worden opzij gelegd en er worden meteen nieuwe kaarten opengedraaid.

Er wordt echter niet meer bekeken of de bezitter van de voorvader op de waarderingslijst wordt teruggezet.

De schorpioen bepaalt nu alleen nog de speelfase en het mogelijke speeleinde.

2. Privilege van de stamoudste vervullen

De bezitter van de stamoudste neemt de dichte stapel met ritueelkaarten. Hij zoekt een kaart naar keuze uit en neemt deze in de hand. De stapel legt hij weer naast het speelveld.

Om de beurt een gebiedskaart nemen

Zoals in het basisspel worden de gebiedskaarten om de beurt gepakt. Echter, in plaats van een opengedraaide kaart uit een gebied te nemen, mag een speler ook één van zijn kaarten met de voorvader of stamoudste spelen.

Hij krijgt meteen de betreffende figuur van de huidige bezitter. Dan moet hij het figuur op het speelbord overeenkomstig de regels van het basisspel in een nieuw gebied zetten. Daar vindt dan meteen de ceremonie met aansluitende waardering plaats.

Heeft een speler een gebiedskaart genomen die hem toestaat om ritueelkaarten te pakken, dan mag hij deze uit de stapel zoeken en in de hand nemen.

De ceremonie

Bij het begin van het spel kreeg iedere speler een ritueelkaart met twee symbolen van alle drie speelstenen. Wordt zo'n kaart uitgespeeld, dan gaat deze geheel uit het spel en gaat terug in de doos.

Iedere speler kan deze kaart dus slechts eenmaal in het hele spel inzetten.

Nu kan het spel voor de gevorderden beginnen.

 

EEN UITVOERIG VOORBEELDSPEL

We begeleiden de vier spelers groen, rood, oranje en paars bij hun eerste ronde van een spelletje Wongar. Daarbij beperken we ons slechts tot een deel van het speelbord. We raden je aan om het verloop simpelweg na te spelen. De benodigde kaarten moet je uit de stapel uitzoeken.

Voorbereidingen

Volgens de speelvoorbereidingen ontstond de volgende startopstelling op het speelbord (zie plaatje blz. 9).

Speler groen heeft de figuur van de voorvader en de boemerang gekregen. Speler paars heeft de stamoudste voor zich staan. Ieder heeft bovendien twee ritueelkaarten in de hand. Groen, als de speler met de boemerang, begint.

De eerste ronde

1. Startspeler bepalen en gebiedskaarten opendraaien

In de eerste ronde vervalt deze stap, omdat al bij de speelvoorbereiding een startspeler werd bepaald en in ieder gebied één kaart werd opengedraaid.

2. Privilege van de stamoudste vervullen

Omdat speler paars de figuur van de stamoudste voor zich heeft, neemt hij nu een ritueelkaart van de stapel. Omdat het geen schorpioen is, neemt hij de kaart gewoon in de hand.

Om de beurt een gebiedskaart nemen

Speler groen begint. Hij kiest de kaart in gebied B. Hij zet zijn staafje daar in. Aansluitend kiest hij ervoor om nog twee ritueelkaarten te kiezen. De gebiedskaart met het staafje legt hij dicht voor zich neer.

De eerste ronde wordt voortgezet. Rood kiest de kaart met de voorvader uit gebied C.

Daarvoor krijgt hij nu de figuur met de voorvader van speler groen, de bezitter tot dan toe. De boemerang blijft bij speler groen tot de speelronde tot het eind is gespeeld.

Daarna moet rood de voorvader op het bord één gebied verplaatsen en zet hem van gebied B naar D. Daardoor wordt meteen een ceremonie en een aansluitende waardering in werking gezet. De gebiedskaart met de voorvader legt hij dicht voor zich neer.

Ceremonie

Speler rood hoopt op winstpunten voor zijn schijfjes en blokjes. Omdat hij de voorvader bezit, mag hij als eerste een ritueelkaart spelen en kiest een kaart met een blokje.

Rood haalt zijn blokje uit B naar het gebied D.

Speler oranje heeft een kaart met een staafje in de hand die hij ook uitspeelt.

Daarmee verwijdert oranje het groene staafje uit gebied D en geeft deze terug aan de groene speler.

Speler groen heeft nu, net als paars, geen stenen meer in het gebied. Beiden mogen daarom geen ritueelkaarten meer uitspelen en nemen aan deze ceremonie niet meer deel.

Speler rood is weer aan de beurt, maar speelt geen kaarten meer, waardoor ook hij met de ceremonie stopt.

Speler oranje speelt nog een volgende ritueelkaart.

Oranje speelt een ritueelkaart met een schijfje en verwijdert het rode schijfje, omdat hij wil vermijden dat de rode speler daarvoor punten krijgt.

Daarmee heeft hij zijn laatste kaart uitgespeeld en moet daarmee de ceremonie automatisch eindigen.

Waardering

Omdat geen speler meer kaarten kan of wil uitspelen, wordt de ceremonie beëindigd en komt het tot een waardering. Iedere Tjurunga-soort wordt apart afgerekend.

De hoogte van de winstpunten voor een soort, wordt door de positie van de schorpioen op de schorpioenlijst aangegeven.

Deze bevindt zich nog in de eerste van de drie schorpioenfasen. Bepalend is nu, welke speelfiguur de ceremonie in werking heeft gezet. Omdat het de voorvader was, is het volgens de tabel telkens vier punten voor de meerderheid in iedere Tjurunga-soort.

De meerderheden zijn duidelijk verdeeld: oranje krijgt vier punten voor zijn staafjes en rood krijgt vier punten voor zijn blokjes. Voor de schijfjes worden geen punten gegeven. Rood en oranje zetten hun telsteen ieder vier punten naar voren.

De eerste ronde is echter nog niet voorbij. Na speler rood is nu speler oranje aan de beurt om een gebiedskaart te nemen. Hij kiest voor de kaart in gebied E en trekt vier ritueelkaarten van de stapel. Oranje heeft daarbij een schorpioen getrokken.

 

Schorpioen

De schorpioenkaart heeft de volgende uitwerkingen:

Als eerste zet speler oranje de schorpioensteen één veld naar voren op de schorpioenlijst. Daarna legt hij de schorpioenkaart dicht naast het speelbord en trekt een nieuwe kaart. Tenslotte wordt bekeken of oranje punten verliest. Omdat twee spelers achter oranje staan, moet hij nu zijn telsteen twee velden naar achteren zetten op de waarderingslijst.

De gebiedskaart legt hij dicht voor zich neer.

Als laatste is paars aan de beurt. Hij kiest de kaart met het schijfje in gebied D. Op grond van de ceremonie ligt er geen schijfje meer in gebied D. Daarom is het paarse schijfje dat hij nu moet inzetten in gebied D de enige.

Daarna kiest hij nog een schijfje uit zijn voorraad in gebied A te leggen en een ritueelkaart te trekken. De gebiedskaart met het schijfje legt hij dicht voor zich neer. Nadat alle spelers een gebiedskaart hebben gekozen, eindigt de speelronde.

Zie plaatje blz. 11 om te zien hoe het bord er nu uitziet.

Voor de tweede ronde

1. Startspeler bepalen en gebiedskaarten opendraaien

Als eerste wordt de startspeler voor de nieuwe ronde bepaald. De voorvader staat voor rood, die nu ook nog de boemerang krijgt.

Rood is daarmee de startspeler van de nieuwe speelronde.

In gebied A ligt altijd nog de opengedraaide kaart uit de eerste ronde. Hij draait nu in de gebieden B, C, D en E de bovenste kaart van de daar liggende gebiedskaartenstapels open.

Daarbij draait speler rood in gebied C een schorpioen open. De schorpioen gaat op de schorpioenlijst één veld naar voren. De gebiedskaart schorpioen legt hij voor zich neer en er wordt een nieuwe kaart opengedraaid.

Nu wordt het privilege van de stamoudste vervuld en de spelers gaan verder door weer om de beurt een gebiedskaart te nemen...

Date Last Modified: 12-04-2001
© Deze pagina is onderdeel van de vzw Vlaams Spellenarchief