Belagerung

Auteur: onbekend
Uitgegeven door Milton Bradley, 1972
Een spannend drie-dimensionaal spel voor 2 spelers vanaf 8 jaar, waarin degene wint met het grootste waarnemingsvermogen en het grootste taktische inzicht.

Wie wordt winnaar: de aanvaller of de verdediger?

Het spel speelt zich af in de tijd van burchten en ridders. De situatie toont de beslissende slag tussen de belegeraars en de belegerden die een uitval wagen.

Inhoud

Doel van het spel

4 ridders te paard belegeren een burcht. Ze proberen de burchtheer (ridder met vlag)) gevangen te nemen. De 4 verdedigers - 4 landsknechten te voet - moeten de burchtheer beschermen, waarbij ze proberen de ridders te paard te verslaan. De aanvallende speler is leider over de ridders te paard; de verdediger over de burchtheer met de landknechten.

Voorbereiding

De spelers gaan tegenover elkaar zitten, waarbij de verdediger achter de burcht plaatsneemt. De burchtheer wordt op één van de kroonvelden - het hoofdkwartier van de burchtheer - neergezet. De landsknechten staan in een willekeurige opstelling op de met punten gemarkeerde plaatsen binnen de burcht. De vier ridders te paard starten op de met een witte punt gemarkeerde punten op het bord in de richting van de burcht.

Beweging van de speelfiguren

Gedurende het spel moeten de spelers altijd een figuur verplaatsen. Op een veld mag nooit meer dan één figuur staan. Het is belangrijk dat iedere zet vooraf goed doordacht wordt, omdat iedere zet definitief is.

Aanvaller:

1. De ridders te paard mogen allen op dezelfde wijze bewegen

  • a) De ridder springt in een zet twee velden naar voren en vervolgens één veld naar links of naar rechts. OF: één veld naar voren en twee velden naar links of naar rechts (idem als paardensprong bij schaken)

    b) De ridders mogen niet achterwaarts bewegen (richting de met witte punten gemarkeerde velden), behalve wanneer hij zich bij de burcht bevindt en de burcht intrekt.

    c) De ridders mogen alle velden van het bord en de burcht bezetten

    d) Heeft een ridder de burcht betreden, dan mag hij deze niet meer verlaten

    e) Een ridder mag zijn eigen en de figuren van de tegenstander overspringen.

  • Verdediger:

    2. De landsknechten bewegen alle gelijk.

  • a) Een landsknecht beweegt één veld in elke gewenste richting; rechts, links, voorwaarts, achterwaarts, diagonaal, echter altijd slechts één veld.

    b) De landsknechten mogen zich over alle velden in de burcht en op het speelbord bewegen, behalve degenen met een blauwe punt, hetgeen een gracht voorstelt.

    c) De landsknechten mogen de burcht naar believen verlaten en betreden.

  • 3. De burchtheer (staande ridder met vlag)

  • a) Hij mag zich alleen over de burchtvelden bewegen

    b) Hij mag alleen diagonaal bewegen

    c) In de diagonalen mag hij zich één, twee of drie velden voor- of achterwaarts bewegen

    d) Hij mag alleen over niet bezette velden bewegen

    e) Ridders te paard of landsknechten mag hij niet overspringen

    f) Belangrijk: Hij mag zich van het ene kroonveld naar het ander kroonveld één veld zijwaarts bewegen. Dit telt als één zet, maar het biedt hem de mogelijkheid om over andere diagonalen binnen de burcht te gaan bewegen.

  • Het spel

    1. De spelers bewegen om de beurt een figuur
    2. De aanvallende speler (ridders te paard) begint
    3. Burchtheer of landsknechten worden gevangen genomen, wanneer een ridder te paard op het door hun bezette veld landt. Overspringen geldt niet als een gevangenname.
    4. Ofschoon landsknechten in alle richtingen mogen bewegen, mogen ze ridders alleen gevangennemen door middel van een diagonale zet, waarmee ze op een door een ridder bezet veld landen.
    5. Ridders die op een veld met een blauw veld staan, mogen niet gevangen genomen worden.
    6. De burchtheer neemt een ridder gevangen door een diagonale zet of door een zijwaartse zet over de kroonvelden.
    7. Er is geen slaplicht om een figuur gevangen te nemen.
    8. Een gevangen genomen figuur wordt van het bord genomen en speelt verder niet meer mee.

    Spelwinnaar

    Het spel wordt door de aanvallende speler gewonnen als hij de burchtheer gevangen neemt, ook wanneer er nog landsknechten in het spel zijn.

    De verdediger wint als hij alle vier de ridders gevangen genomen heeft.

    Uitzonderingsregel:

    In het begin van het spel moet de verdediger in zijn eerste vier zetten alle vier zijn landsknechten op de met punten gemarkeerde velden bewegen. Zo wordt de verdediging gedwongen zich open te breken. Deze beperking is na de eerste vier zetten opgeheven. Deze regel geldt niet indien in één van deze eerste vier zetten een figuur van één van beide spelers gevangen genomen kan worden. In dat geval mag een verdediger zonder rekening te houden met deze uitzonderingsregel bewegen.

    Date Last Modified: 11-02-2001
    © Deze pagina is onderdeel van de vzw Vlaams Spellenarchief